‘Daar gaan we weer’
Dat is ongeveer het eerste wat door Ellis heen gaat als ze op weg is naar Leeuwarden. Tien jaar geleden kwam ze hier voor het eerst. Na heel veel bloed, zweet, tranen, doorzettingsvermogen en frustratie kreeg ze een maagverkleining. Ze viel 70 kilo af. Maar inmiddels is er 35 kilo terug.
En dus zit Ellis opnieuw in de auto, op weg naar de obesitaskliniek. Met lood in haar schoenen. Niet omdat ze verwacht dat daar dé oplossing ligt. Die verwachting heeft ze eigenlijk al losgelaten. Maar ze wil wel weten: wat kan er nog wél?
Het regent. “Het was triest klotenweer en zo voel ik mij ook”, vertelt ze. „Van: nou, daar gaan we weer. En wat verdrietig, dat dat nou weer moet.”
Want aankomen voelt voor Ellis niet alleen als een getal op de weegschaal. Het voelt als falen.
“Ik was boos en teleurgesteld. Dat het zijn doel niet gehaald heeft. Dat ik niet slanker ben geworden, maar dat ik in elk geval niet mijn gewicht heb kunnen vasthouden. Ik was ook boos op mezelf. Dat ik gefaald heb eigenlijk.”
En daar komt nog iets bij. Het gevoel dat ze haar eigen lichaam in de steek heeft gelaten.
“Ik heb mijn lijf kapotgemaakt door alles wat ik ermee gedaan heb. Door mezelf niet serieus te nemen en nooit naar mezelf te luisteren. Altijd maar over mijn grenzen heen gaan. Mijzelf volproppen met eten om maar niet te voelen.”
Het zijn harde woorden. Misschien wel harder dan nodig.
Want wie Ellis hoort vertellen, hoort niet alleen iemand die worstelt met gewicht. Je hoort ook iemand die jarenlang heeft geprobeerd om grip te krijgen op haar lichaam. Met een operatie. Met afvallen. Met opnieuw beginnen. En nu opnieuw hulp zoeken.
Geen verwachtingen, wel hoop
Toch rijdt ze naar Leeuwarden.
“Ik had geen verwachtingen”, zegt ze. “Maar ik hoopte wel op een luisterend oor. En misschien dat er toch iets mogelijk was. Iets nieuws waar ik nog niet van wist.”
Dat blijkt anders te lopen.
Een nieuwe operatie is geen optie. Medicatie wordt niet vanuit Leeuwarden aangeboden en volgens de behandelaar heeft het weinig nut. Er wordt bloed geprikt, ze wordt gewogen en haar bloeddruk wordt gemeten. En ze krijgt een eetdagboek mee. Misschien kan een diëtist helpen.
Ellis vraagt ook naar een mogelijke insulineresistentie en vraagt of opnieuw maagonderzoek nodig is. Ze heeft in het verleden problemen gehad met haar maag. Maar op die vragen komt niet direct een antwoord.
“Ze kijken alleen maar naar de basisdingen”, vertelt ze. “Ik zei: bij mij is het ook nooit iets gebruikelijks, dus ik wil wel graag dat jullie verder kunnen zoeken.”
Daar zit haar frustratie.
“Er zit gewoon een heel jong meisje voor je die echt met richtlijnen moet werken. Ze vraagt iets, je geeft antwoord en dat is het. Dat frustreert mij.”
Volgens Ellis gaat het daardoor te weinig over de persoon achter het gewicht.
“Dit is weer een voorbeeld van hoe je een afvinklijstje afwerkt en iemand met de standaarddingen weer terugstuurt.”
Iedereen heeft zijn eigen verhaal
Juist daar wringt het voor Ellis. Want obesitas laat zich niet zomaar vangen in een standaardlijstje, vindt ze.
“Iedereen heeft zijn eigen verhaal. Niemand past in hokjes. En dat is precies wat ik probeer te zeggen.”
Ze merkt het ook wanneer ze vertelt dat ze niet alleen voor zichzelf in Leeuwarden zit. Ellis is voorzitter van Stichting Overgewicht Assen en wil ook weten wat deze ervaringen betekenen voor andere mensen met obesitas.
Dat wordt niet helemaal goed ontvangen.
En dat maakt haar vertrouwen in de kliniek kleiner.
“Weer een medische oplossing, zonder de mens weer in zijn totaliteit te zien. Zonder een goed plan.”
Want wat Ellis eigenlijk zoekt, is geen wondermiddel. Ze weet heel goed dat ze zelf ook stappen moet zetten. Ze heeft de afgelopen anderhalve maand meer last van eetbuien gehad. Frustratie speelt daarin mee, zegt ze. Ook omdat ze door een andere operatie minder kan en daardoor minder beweegt.
En precies daar ontstaat een ingewikkelde cirkel: minder bewegen, aankomen, frustratie, eetbuien en vervolgens weer het gevoel dat ze zelf tekortschiet.
Dan maar zelf beginnen
Als ze terugrijdt uit Leeuwarden, voelt ze zich neergeslagen.
“Er is eigenlijk op dit moment niets wat we kunnen doen.”
Toch zit er tussen de teleurstelling iets van beweging. Letterlijk.
Want als het ziekenhuis op dit moment geen oplossing heeft, kan ze misschien zelf kleine dingen oppakken. Zwemmen bijvoorbeeld. Of fietsen. Ze heeft zich al aangemeld voor Tai Chi.
“Ik moet gewoon iets gaan doen. Ik ben nog thuis. Dus ik kan prima twee keer per week, twee keer per dag even een blokje om. Dat kan ik zelf.”
Het klinkt bijna eenvoudig.
Maar misschien is juist dat het punt. Dat “gewoon meer bewegen” voor iemand met obesitas helemaal niet zo gewoon is. En dat een eetdagboek invullen ook niet automatisch betekent dat iemand daarmee geholpen is.
Ellis weet zelf heel goed wat ze moet doen. Wat ze mist, is een plan dat verder gaat dan één onderdeel.
Een diëtist voor voeding. Een psycholoog voor wat er onder het eten zit. Een arts voor het medische deel. Beweging die past bij haar lichaam en mogelijkheden. En vooral: iemand die al die puzzelstukjes bij elkaar legt.
Toch weer een deur open
Helemaal opgegeven heeft Ellis het nog niet.
Ze denkt aan een gespecialiseerde internist in het Wilhelmina Ziekenhuis Assen. Daar is een wachttijd van ongeveer drie maanden, maar juist daarom kan ze misschien nu al een verwijzing vragen.
“Ik wil toch wel kijken: naast alleen de operatie die zij niet zien zitten, wat is er dan eventueel nog wel mogelijk?”
En misschien is dat uiteindelijk de belangrijkste zin uit het gesprek.
Niet: ik wil een nieuwe operatie.
Niet: ik wil een snelle oplossing.
Maar: wat is er nog wél mogelijk?
Ellis heeft geen behoefte aan medelijden. Ze wil serieus genomen worden. Niet als een getal op de weegschaal, niet als iemand die opnieuw een eetdagboek moet invullen, maar als een mens met een geschiedenis, een lichaam, emoties, successen en teleurstellingen.
Na tien jaar is ze weer terug bij het begin.
Alleen is Ellis inmiddels iemand anders.
En misschien zou dat ook moeten gelden voor de manier waarop we naar obesitas kijken.
